Titel :
De Cock en de stervende wandelaar

Auteur(s) :
A.C. Baantjer

ISBN :
9789026101526




Reacties van lezers.

Door : Lars van Eesteren | 15.11.2010
De tweeëndertigjarige student Alex Delszsen loopt in Amsterdam op straat en voelt zich opeens niet goed worden. Voordat hij bewusteloos raakt, komt hij tot de conclusie, dat iemand hem heeft vergiftigd. Twee surveillerende politieagenten pakken Delszsen op het Damrak op, omdat ze denken, dat hij dronken is. In de politiecel overlijdt Delszsen. De rechercheurs De Cock en Vledder worden met het onderzoek naar de doodsoorzaak belast. Het blijkt, dat Delszsen vergiftigd is met het landbouwgif parathion. Omdat Vledder van aanvang af aan vergiftiging gedacht heeft, wil hij het onderzoek graag helemaal zelf doen. Commissaris Buitendam is daar vanwege de grote aandacht van de pers voor deze zaak geen voorstander van, maar De Cock neemt het voor Vledder op. Vledder krijgt de leiding van het onderzoek en De Cock neemt een paar dagen vrij om in de buurt van Schagen te gaan vissen. Onderweg pikt hij een lifter op, Roelof Hans van der Duijn, die een vriend van Delszsen blijkt te zijn. Van der Duijn is ervan overtuigd, dat Delszsen vermoord is en vraagt De Cock terug te gaan en het onderzoek te willen leiden. De Cock weigert dat. Vledder start zijn onderzoek op het dispuut “Hora ruit” aan de Brouwersgracht, waar Delszsen lid van was. Hij spreekt er met de sociologiestudent Emanuel Archibald Shepherd. Van hem hoort Vledder, dat er de laatste tijd tijdens dispuutbijeenkomsten heftig gediscussieerd werd over moord en zelfmoord. Delszsen nam daar aan deel en hij was het vaak oneens met de katholieke student Ernst Kluffert. Delszsen vond zelfmoord namelijk verdedigbaar en Kluffert niet. Verder wonen in het pand de studenten Hendrik Jan van Marle, Johan van Gelder en Wim Haverman. Zij denken allemaal, dat Delszsen zelfmoord gepleegd heeft. Vledder neigt ook naar deze opvatting, omdat hij geen ander aanknopingspunt heeft. Als De Cock terugkeert van zijn visvakantie en Vledder naar de stand van zaken vraagt, komt hij al gauw tot de conclusie, dat er geen sprake kan zijn van zelfmoord. Een caféhouder vertelde Vledder namelijk, dat Delszsen op de avond van zijn dood bij hem drie cognacjes kwam drinken, omdat hij zich zo beroerd voelde en dacht, dat hij een griepje onder de leden had. Met andere woorden, stelt De Cock, Delszsen was zich er niet van bewust, dat hij op dat moment al vergiftigd was en dan is er dus ook geen sprake van zelfmoord. Vledder kan het niet anders dan eens zijn met De Cock en hij besluit het onderzoek verder samen met De Cock te doen. De Cock en Vledder ondervragen de heer Zorghdrager, factotum van het dispuut. Hij vertelt, dat Delszsen er een nogal amoureus leven op na hield. Een van zijn vriendinnen, Ella Rosseling, was daar niet zo blij mee. Zij heeft Delszsen op de dag van zijn dood nog ontmoet en koffie met hem gedronken. Ook had Delszsen een relatie met Ria Kluffert, de zuster van Ernst. Volgens Zorghdrager zou Ella in staat zijn om Delszsen te vermoorden. Hetzelfde geldt voor Ernst, omdat hij een relatie tussen Delszsen en zijn zuster beslist niet zag zitten. Wanneer De Cock en Vledder Ria ondervragen geeft zij aan, dat volgens haar Ernst Delszsen vermoord heeft. Dan wordt Van der Duijn neergestoken. Wanneer De Cock en Vledder Van der Duijn in het ziekenhuis opzoeken zegt deze, dat hij denkt, dat Delszsen vermoord is door Haverman. Haverman is namelijk een anarchist die niet van het non-conformistische gedrag van Delszsen hield. Van der Duijn weet niet wie hem neergestoken heeft - het gebeurde terwijl hij lag te slapen -, maar hij denkt, dat Haverman dit gedaan heeft. Dan meldt Van Marle zich op het bureau bij De Cock en Vledder. Hij bekent, dat de studenten de zelfmoordtheorie van Delszsen bedacht hadden om de naam van hun dispuut niet in diskrediet te brengen. Verder vertelt Van Marle, dat hij na de moordaanslag op Van der Duijn op de grond het steekwapen vond. Het was een mes van Kluffert. Ook vertelt Van Marle, dat Delszsen potentieproblemen had en dat hij hem daarvoor een bepaald tonicum adviseerde. Dat tonicum bleek niet meer op de kamer van Delszsen aanwezig te zijn. De Cock denkt, dat Zorghdrager het tonicum inmiddels heeft. Dat blijkt te kloppen. Zorghdrager heeft er van al gedronken en is nu ook dood. Het gif zat dus in het tonicum. Zorghdrager had het tonicum meegenomen, omdat hij er zelf ook van wilde profiteren, maar hij wist natuurlijk niet, dat het vergiftigd was. Wanneer De Cock Ella Rosseling ondervraagt, blijkt zij als prostituee in een klein bordeel te werken. Zij vertelt, dat zij een keer aangevallen is door Shepherd, omdat Shepherd haar eerder een keer bezocht had en toen impotent bleek. Dat had Ella vervolgens aan Delszsen verteld die dat weer smakelijk doorvertelde. De Cock laat dan alle hoofdrolspelers op het bureau komen om de moordenaar te ontmaskeren. Shepherd blijkt de moordenaar te zijn. Hij heeft ook Van der Duijn neergestoken. Shepherd vermoordde Delszsen, omdat hij bij Delszsen een behoorlijke geldschuld had en hij hem een nutteloze schakel in de maatschappij vond. Shepherd probeerde Van der Duijn te vermoorden, omdat deze hem met de fles tonicum had zien lopen. Dit boek van Baantjer (1923 – 2010) verscheen voor het eerst in 1972. Het is een traditionele detectiveroman met een eenvoudige verhaalslijn en een logische - helaas niet zo vreselijk spannende - ontknoping. Je kunt als lezer namelijk al vrij snel zien aankomen hoe de ontknoping zal zijn. Wel aardig vind ik de diverse woordgrapjes in het boek. Zo wordt er over een lijkschouwer gesproken die luistert naar de naam “Dokter Rusteloos”. Dat is een verwijzing naar de bekende patholoog-anatoom Dr. Jan Zeldenrust (1907 – 1990). Ook is de verwijzing naar de roman “Schuld en Boete” uit 1866 van Fjodor Dostojevski (1821 – 1881) interessant en kunstig in de plot geweven.


Boekenarchief.nl