Titel :
De schepping Gods

Auteur(s) :
A. Hulsbosch

ISBN :




Reacties van lezers.

Door : Bert Roebert | 06.11.2006
Dr. A. Hulsbosch OESA DE SCHEPPING GODS Schepping, zonde en verlossing in het evolutionistische wereldbeeld. Uitg. Romen & Zonen, 1963 Het boek is dus meer dan 40 jaar oud. Op zich is dat niet veel voor de taak die pater Hulsbosch zich gesteld heeft. Als ik het goed interpreteer richt hij zich met dit boek tot de geïnteresseerde leek; het is niet echt een wetenschappelijk boek, anders zouden er voetnoten en literatuurverwijzingen instaan. Het is toch nog lastig genoeg om het te begrijpen en daar is het verschil in tijdsgewricht beslist ook debet aan. Maar vooral valt op dat de redeneringen wel een erg kerks uitgangspunt hebben. Het is ondanks alles behoorlijk gezagsgetrouw voor de lezer van 2006. Ik merk in de marge nog op dat de huidige generatie geestelijken die in de tijd van verschijnen van dit boek allen studeerden en deze gedachtegangen indertijd mogelijk met enthousiasme hebben opgenomen en geassimileerd, dit boek moeiteloos zullen herkennen als behorend tot het basispakket van hun studietijd. Ik zou het vervolg wel een willen weten. Wat was de opzet van dit boek? De stelling is dat het thans onontkoombaar is vast te stelen dat de aarde miljarden jaren oud is en de mens ook al in aanleg ongeveer zo’n 10 miljoen jaar oud is en dus een laat verschijnsel op deze aarde. Dat past niet met het wereldbeeld dat de Bijbel schetst. Het is daarom, aldus Hulsbosch, noodzakelijk voor de theologie om een modern wereldbeeld te schetsen dat recht doet aan de natuurwetenschappelijke bevindingen van deze tijd en ook aan het gelovig zijn van de mens in de wereld, m.a.w. passend in de geschiedenis van Gods omgang met zijn volk. Hulsbosch verwijst naar en bouwt voort op het boek van Teilhard du Chardin s.j., Het Verschijnsel Mens (1955). Ik vond dat indertijd een boeiend boek en mij is bijgebleven dat Teilhard stelt dat alles van God is uitgegaan: punt alpha en dat het aan het einde weer zal samenkomen in een punt omega. Ik vond dat een mooie gedachte. Er gaat haast geen bladzijde voorbij of er wordt “God” genoemd. Ik vind het jammer dat Hulsbosch niet een poging doet te beschrijven wat hij dan bedoeld: wie of wat is God voor hem als theoloog. Natuurlijk is dat glad ijs, maar toch. Er wordt al lezend wel iets duidelijk. Hij wijst heel duidelijk een God af die de wereld geschapen heeft en in die materie alles gelegd heeft waardoor het geschikt is voor een verdere ontwikkeling, welke dat ook mag zijn, gestuurd of niet. Hij spreekt van een transcendente persoonlijke God. Hij wijst af een eenmalige “daad van schepping”, ik vergelijk dat dan met een enkele vingerknip waarin alles zijn oorsprong vindt. Niet alles is dan gemaakt, maar het zit erin en kan zich vanuit dat begin ontwikkelen. Ik noem maar de vorm en structuur van de kristallen, die ingenieus in elkaar zitten. De materie met al zijn eigenschappen en wetten, voorts een aanzet tot een potentie van een differentiatie in leven, planten, dieren, mensen. Dat zou ik pas knap vinden. Nee, zegt Hulsbosch dat een ouderwets idee, dat is een idee van een statische wereldbeschouwing die eigen is aan de oude, ook bijbelse wereldbeschouwing. Men moet denken in een meer dynamische beschouwing van de schepping, een permanente schepping. De scheppingsdaad moeten we niet beoordelen naar het begin maar naar het eind, pag. 36. Heel specifiek komt de schrijver naar voren als hij verschil tussen mens en dier beschrijft en de wording van een nieuwe mens. In zijn dynamisch wereldbeeld is dan de ingeschapen dynamiek onvoldoende, pag. 45. De ziel (volgens Encycliek Humani Generis, van Pius XII) is: “onmiddellijk door God geschapen”. Om de menselijke geest voort te brengen is een geheel nieuw “onmiddellijk” scheppend ingrijpen van God. Bij de schepping heef de mens de opdracht gekregen de aarde te bewerken en te bewaren. Dat bewerken is in de loop van de tijd grondig gewijzigd doordat de mens de natuurkrachten heeft leren kennen en gebruiken. Het moeizaam bewerken van de aarde is (voor velen, zeker in het W.) voorbij. Het bewaren gaat alle aandacht opeisen. Oorlogen zullen er altijd zijn. De Christen, aldus H., mag geen defaitistisch wereldbeeld hebben: “hij gelooft in een toekomst voor de wereld als een mogelijkheid die God ons in Christus heeft geschonken”, pag. 204. Ik dit hoofdstuk geeft H. wel een recept, haast in de vorm van een preek dat de mens de aarde moet bewaren, de naasten moet hoeden, tegen apartheid, een opdracht aan de rijken om ook mondiaal gezien, voor de armen te zorgen. Erfzonde, één Adam? Humani Generis sluit niet de deur voor polygenese (de mens op meerdere plekken is ontstaan, dus niet per sé één ouderpaar). De leer van de erfzonde wordt verklaard door te stellen dat de mens geschapen is als een onvoltooid schepsel, dat uit zich zelf zonder de genade niets kan. Maar de mens is geschapen mét de actuele gerichtheid op het bovennatuurlijke einddoel (pag. 51). De erfzonde is dus zoiets als een gemeenschappelijke onvolmaaktheid, die in de loop van (dynamische) schepping kan worden uitgewist, kan worden uitgewist. Ik lees hier ook weer Teilhard met zijn omega. De zondigheid (erfzonde) is ook dat de mens zijn geluk wil blijven zoeken hier op aarde en het voortgaande scheppingshandelen van God afwijst. Frappant is de stelling van H. dat de mens alleen door de genade verde kan komen. Dit ligt dicht tegen het calvinisme aan: alleen de genade. Al lezend wordt het duidelijk dat dit niet een boek is dat ik van A tot Z wil lezen. Ik denk dat het te gedateerd is en dat de theologie wat verder gevorderd is, althans dat mag ik hopen. Ik hoef niet de geschiedenis van de theologie te volgen. Toch sla je eens een pagina op en ik vind interessante passages. Pag. 94. Een andere vraag die de gelovige zich stelt is die naar de zin van dit alles.Wat voor zin hebben de spiraalnevels die aan gene zijde van de grens van de astronomische waarneming liggen, in die ruimte waarheen de verst waarneembare nevels van ons wegvluchten met een snelheid van meer dan 50.000 km per sec.? Zomaar een citaat; het stuit mij tegen de borst hier een zo antropocentrische (menscentrale) benadering te zien. Waarom die mens erbij? Is die ruimte op zich niet een uitdrukking van de almacht van de onzegbare. De schrijver gaat verder en noemt dan de duizenden dieren die er geweest zijn in het verre verleden van de aarde, de trilobieten in het Cambrium en hij voegt toe: “zonder dat er mens was om ze te zien”. Dat staat ver van mijn opvatting van de natuur. Pag. 96. De evolutie doet zich voor als een doelloze ontplooiing van het leven. Een doelgerichtheid is moeilijk te bespeuren…..De mens die zich de maat van alle dingen voelt, kan dit moeilijk verwerken. Gelukkig komt er een antwoord op die doelloosheid in het boek Job. Waar waart ge toen ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iest van weet! Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen? Waarop zijn haar zuilengeplaatst, Of wie heeft haar hoeksteen, gelegd: …… …… …… Zijt gij doorgedrongen tot de bronnen der zee, Hebt ge de bodem van de Oceaan bewadeld: Zijn u de poorten des doods getoond, De wachters der duisternis u verschenen; …… Hoe kan Hulsbosch dat alles dan doelloos noemen. OK, hij zegt: doet zich voor als doelloos. Het antwoord van job, 38, 4-18 en ook de psalm 104, 24-30 zijn een prachtig antwoord. Ik denk dat “die mens als maat der dingen” een tijdgebonden 60ger jaren verhaal is. CONCLUSIE. Proberen na te gaan hoe de theologie op dit moment spreekt over evolutie en schepping.


Boekenarchief.nl