Titel :
De Spinoza van Warschau

Auteur(s) :
Isaac Bashevis Singer

ISBN :
9789029546201




Reacties van lezers.

Door : Lars van Eesteren | 02.06.2014
In het eerste verhaal (“De Spinoza van Warschau”) maken we kennis met de filosoof Dr. Nahum Fischelson. Hij woont op een zolderkamer in Warschau en bestudeert al dertig jaar lang Spinoza’s beroemde boek “Ethica”. Fischelson lijdt aan maagklachten en leeft van een klein pensioen. Fischelson kijkt vanuit zijn zolderkamer graag naar de sterren. Hij voelt zich dan een deel van de enorme kosmos en beleeft zo soms een gevoel van goddelijk geluk (wat volgens de Ethica de hoogste trap is die de menselijke geest kan bereiken). Als in 1914 de Oostenrijkse troonopvolger vermoord wordt en er oorlog uitbreekt, krijgt Fischelson het zwaar. Zijn pensioen stopt en voedsel wordt schaars. Fischelson krijgt lichamelijke klachten en gaat op zijn bed liggen. Hij denkt, dat hij dood gaat. Hij wordt echter gered door een buurvrouw, Zwarte Dobbe genaamd. Ze geeft hem te eten en te drinken, bezoekt hem en praat met hem. Het gevolg is, dat ze met elkaar trouwen. Fischelson bloeit hierdoor helemaal op. In het tweede verhaal (“De zwarte bruiloft”) maken we kennis met Hindele, de dochter van Aaron Naphtali, de rabbi van Tzivkev. Nadat haar vader en moeder gestorven zijn - volgens Hindele het gevolg van het werk van de duivel -, treedt Hindele in het huwelijk met Reb Simon, de zoon van de rabbi van Jampol. Voor beide Joodse gemeentes is het huwelijk gunstig. Als Hindele echter haar echtgenoot ontmoet, denkt ze, dat hij de duivel zelf is. Haar huwelijk zal dan ook niets anders dan zwarte magie zijn. Vanaf dat moment verzet Hindele zich tegen het huwelijk en haar man. Het huwelijk wordt echter toch gesloten, maar Hindele ervaart alles als een toepassing van het werk van de duivel. Ze baart uiteindelijk een zoon - die volgens haar eveneens een duivel is -, maar sterft daarbij in het kraambed. In het zevende verhaal (“De bedelaar zei ’t zelf”) wordt het verhaal verteld van Mosje en Mindel. Mosje is schoorsteenveger van beroep en hij had van een bedelaar gehoord, dat er in Janov dringend een schoorsteenveger nodig was. Daarom is hij met zijn vrouw Mindel naar Janov gereisd om zich daar te vestigen. Het verhaal van de bedelaar blijkt echter niet te kloppen. Desondanks blijven Mosje en Mindel in Janov wonen. Jaren later droomt Mosje op een avond, dat het armenhuis in brand staat. Hij wordt wakker en gaat kijken. Het blijkt waar te zijn. Omdat er niemand anders aanwezig is, blust Mosje in zijn eentje de brand. Mosje wordt door deze daad een held en krijgt kort daarna een officiële aanstelling als stadsschoorsteenveger van Janov. Als in het armenhuis vervolgens ook nog de bedelaar aangetroffen wordt die Mosje ooit naar Janov deed vertrekken, komt Mosje tot de conclusie, dat de bedelaar alsnog de waarheid heeft gesproken. Hij en Mindel nemen de bedelaar daarom in huis en verzorgen hem goed. Korte tijd later sterft de bedelaar en Mosje laat hem in een mooi graf begraven. Vele jaren later sterven Mosje en Mindel ook. Zij laten zich naast de bedelaar begraven. In het achtste verhaal (“De man die terugkwam”) wordt het verhaal verteld van Alter, de “man die terugkwam”. Alter was een rijke man en getrouwd met Sjifra Lea. Alter was ziekelijk en lag een keer op sterven. Toen hij net gestorven was, begon Sjifra Lea zo te gillen en te krijsen, dat Alter weer tot leven gewekt werd. Maar vanaf dat moment is Alter veranderd. Hij krijgt ruzie met zijn compagnon in de houtmolen. Die trok zich dat zo aan, dat hij zelfs sterft. Alter wordt ook atheïst en begeeft zich op het slechte pad. Hij gaat vreemd met een vrouw uit Warschau en scheidt van Sjifra Lea. Sjifra Lea lijdt hier nogal onder, maar ze wil toch geen kwaad woord van Alter horen. Uiteindelijk belandt Alter in de gevangenis van Lublin. Sjifra Lea beweegt hemel en aarde om hem eruit te krijgen, wat lukt. Alter trouwt uit dankbaarheid opnieuw met Sjifra Lea, maar begint al gauw weer te stelen. Tijdens een drinkgelag wordt Alter door een patrouille kozakken gegrepen en doodgeslagen. Sjifra Lea herkent het lijk haast niet terug, het is helemaal veranderd. Ze laat Alter begraven. Maar het gerucht blijft gaan, dat Alter na zijn wederopstanding eigenlijk niets meer is geweest dan een levend lijk. Deze verhalenbundel van Singer (1904 – 1991) verscheen voor het eerst in 1961 en bevat elf korte verhalen. Het eerste verhaal is ook het titelverhaal. Hierin staat de beroemde filosoof Baruch Spinoza (1632 – 1677) centraal en dan met name zijn meest beroemde boek, de Ethica uit 1677. Het boek werd na Spinoza’s dood gepubliceerd. De hoofdpersoon van het verhaal, Dr. Nahum Fischelson, probeert zijn hele leven al de Ethica te begrijpen, maar het wordt hem niet duidelijker. Pas na zijn huwelijk met zijn buurvrouw begint hij iets van het menselijke leven en de goddelijke kern daarin te begrijpen. Hij geniet van het menselijke geluk dat hem door zijn huwelijk ten deel valt, maar beseft ook dat zijn studie van de Ethica hieronder zal lijden. Opvallend is dat Singer veel Joodse woorden en begrippen in zijn verhalen gebruikt. Het tweede verhaal is daar een mooi voorbeeld van. Voor de lezer die niet zo met het Jodendom bekend is kan dat lastig zijn, omdat je als lezer maar net moet weten wat met bepaalde woorden en begrippen bedoeld wordt. Zo worden woorden als “Chassidiem” en “Golem” niet nader toegelicht. Een verklarende woordenlijst zou dit probleem aanmerkelijk verkleind hebben. Ondanks deze kritiek vind ik dit toch een prachtig boek. De verhalen zijn sterk en uitstekend geschreven. Ze geven ook een diep inzicht in Joodse gebruiken en tradities. Daarmee krijgen de verhalen een grote culturele lading die je als lezer soms compleet verrast.


Boekenarchief.nl